|
Bouwbrief d.d. 5 juli 2011
|
|
| | Einde van de besluitonderdelen bij ontwerp milieuvergunningen
Per 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij nieuwe wetgeving, en zeker bij ingrijpende wetgeving zoals deze, is het altijd spannend om te zien welke gevolgen dit zal hebben voor de dagelijkse praktijk. De wettekst kan uiteraard worden gelezen maar met name de uitleg die rechters eraan geven, is van groot belang. Ondanks dat de Wabo nog maar kort in werking is, zijn er al een paar belangrijke uitspraken gewezen. Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2011 (LJN BP 7155). Dit betrof een procedure van onder meer de milieuvereniging Land van Cuijk tegen een besluit van het college van B&W van de gemeente Boxmeer waarbij een revisievergunning voor een paarden- en fokzeugenhouderij is verleend. Een van de vragen die in dat beroep centraal stond, was de ontvankelijkheid van de milieuvereniging. Wat was er aan de hand.
Voor het in werking treden van de Wabo was het vaste jurisprudentie bij milieuzaken dat als op een ontwerpmilieuvergunning geen zienswijze was ingediend op een onderdeel van dat besluit, hierop in beroep niet meer kon worden teruggekomen. Artikel 6:13 Awb gaf immers aan dat een belanghebbende eerst een zienswijze moest hebben ingediend. Zo niet, en tenzij hem dit niet konden worden verweten, was deze belanghebbende in beroep niet-ontvankelijk.
Artikel 6:13 Awb bracht mee dat een milieuvergunning in aparte onderdelen werd opgeknipt waartegen een zienswijze diende te worden ingediend. Dit zijn de zogenaamde besluitonderdelen. Als in een milieuvergunning voorschriften waren gegeven voor bijvoorbeeld lichthinder en geurhinder, dan diende expliciet tegen deze twee onderdelen een zienswijze te zijn ingediend.
In de literatuur is veel kritiek geuit op dit artikel 6:13 Awb. Niet ieder besluit valt eenvoudigweg in aparte onderdelen op te knippen. Daarnaast werkt het de rechtsongelijkheid in de hand.
In de beroepsprocedure tegen het besluit van het college van B&W van de gemeente Cuijk heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak met de vaste jurisprudentie op dit onderdeel gebroken! In het geval met toepassing van de Wabo een milieuvergunning wordt verleend, wordt niet langer de eis gesteld dat door een belanghebbende tegen iedere aparte milieucategorie (besluitonderdeel) een zienswijze moet zijn ingediend om in een beroepsprocedure hierover te kunnen klagen.
Voor de - beperkte - categorie van milieuvergunningen die niet met toepassing van de Wabo worden verleend, geldt dit ook bij besluiten die op of na 1 april 2011 zijn bekendgemaakt.
De gevolgen voor de praktijk zijn groot. Niet alleen kan voortaan tegen een besluitonderdeel waartegen vergeten is een zienswijze in te dienen, in beroep nog worden geageerd. Daarnaast biedt het ook procestechnische ruimte. Soms is het beter om met het indienen van argumenten tegen onderdelen van een ontwerpvergunning te wachten totdat de beroepprocedure is opgestart. Het zogenaamde droog houden van het kruit waardoor nog argumenten kunnen worden aangedragen. Ook voor de rechtszekerheid is een belangrijke stap gezet. De onduidelijkheid van het al of niet bestaan van aparte besluitonderdelen in een ontwerp milieuvergunning behoort tot de verleden tijd.
Al met al een belangrijke ontwikkeling in het bestuurlijke procesrecht.
| | | |
|
|
| | | Crisis en herstelwet
Relativiteitsvereiste
In de eerste helft van 2011 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State enkele interessante uitspraken gedaan die betrekking hebben op de Crisis- en herstelwet (Chw).
In een uitspraak van 19 januari 2011 (201006426/1/r2) heeft de afdeling bepaald dat de in de Chw vervatte relativiteitsvereiste met zich brengt dat omwonenden bij een bestemmingsplanwijziging zich er niet op kunnen beroepen dat de krachtens het plan nieuw te bouwen woningen niet aan de geluidsvoorschriften voldoen. Dit tenzij die voorschriften er ook toe strekken de belangen van de omwonenden te behartigen en door de verwezenlijking van het plan deze omwonenden in die desbetreffende belangen worden geraakt. Anders gezegd: niet het feit dat betwijfeld kan worden dat in de nieuw te bouwen woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd door de te verwachten geluidshinder, maar de vraag of de omwonenden zelf in hun woon- en leefklimaat worden aangetast, is doorslaggevend. In een gespiegelde situatie voldeed een glastuinbouwer wel aan het relativiteitsvereiste omdat door de geprojecteerde nieuwbouw van woningen binnen de zoneringsgrenzen hij mogelijk met meer klachten omtrent milieuhinder zou kunnen worden geconfronteerd (ABRvS: 201009223/3/h1).
Belanghebbende
Op 22 april jl. (LJN: BQ:3611) oordeelde de rechtbank Rotterdam dat een maatschap, die wel als belanghebbende als bedoeld in artikel 2:1 Awb kon worden aangemerkt, niet in haar eigen belangen wordt geraakt indien door de realisering van een woonzorgcomplex een andere onderneming (die haar onderneming drijft op het perceel van de maatschap) in haar belangen wordt aangetast. Uit deze uitspraak volgt dat de vraag wie er beroep aantekent, gelet op het relativiteitsvereiste, des te belangrijker is indien de Chw van toepassing is.
Pro forma beroep
Ook zijn enkele uitspraken gedaan over de vraag of het onder omstandigheden is toegestaan een pro forma beroep aan te tekenen. Dat is tot dusverre het geval indien het bestuursorgaan verzuimt om bij het besluit te melden dat de Chw van toepassing is en de beroepsgronden binnen de beroepstermijn moeten worden ingediend en de appellant niet wist en niet behoorde te weten dat de Chw van toepassing was. In dat geval moet de gelegenheid worden geboden de gronden van het beroep alsnog in te dienen (ABRvS, 201009334/2/r3). Dat is niet het geval indien er tussen partijen discussie bestaat over de vraag of de Chw van toepassing is, en deze blijkt uiteindelijk wel van toepassing te zijn. Dit wordt ook niet anders indien (ook) de rechtbank bij wijze van voorlopig oordeel uitgaat van het niet van toepassing zijn van de Chw en uitstel verleent voor het indienen van de gronden van het beroep (rechtbank Utrecht, LJN: BQ5327). Is de Chw van toepassing, dan is (mits het bestuursorgaan bij het bestreden besluit dit vermeldt) een pro forma beroep niet ontvankelijk en worden na ommekomst van de beroepstermijn ingediende gronden buiten beschouwing gelaten.
Opschorting inwerkingtreding besluit bij beroep
Indien tijdig een ontvankelijk beroep is aangetekend, schort dit beroep krachtens artikel 2.14 Chw de inwerkingtreding van (bijvoorbeeld) een projectbesluit op. Anders dan gebruikelijk, bijvoorbeeld na de vaststelling van een bestemmingsplan, hoeft daarvoor geen voorlopige voorziening binnen de beroepstermijn te worden gevraagd. De ontwikkelaar kan een groot belang hebben bij een spoedige inwerkintreding van het besluit. Een verzoek tot het opheffen van de opschortende werking van het onder de Chw ingediende beroep werd door de voorzitter van de ABRvS (201100873/3/h1) afgewezen. De wetgever heeft er uitdrukkelijk voor gekozen om de inwerkingtreding van een besluit bij een ingediend beroep uit te stellen totdat op het beroep is beslist. Dit vanwege de onomkeerbare gevolgen van de gebruikmaking van het besluit. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden (wellicht indien aannemelijk is dat de ABRvS niet binnen de wettelijke termijn van 6 maanden op het beroep beslist) zal er grond kunnen zijn voor het opheffen van de opschortende werking van het beroep.
We houden u in onze nieuwsbrief op de hoogte van de jurisprudentie op het gebied van de Crisis en herstelwet.
| |
|
|
|
| | Mocht u naar aanleiding van de Bax Bouwbrief een reactie willen geven of nog informatie wensen, neemt u dan contact op met mr. D. van Hijkoop of mr. M.H.M. Deppenbroek. Zij staan u graag te woord. | | |
|
|
|
|
|